De droneclub van Jeanine

Gepubliceerd in VredesMagazine nr. 2 2014

Dronetechnologie heeft zich razendsnel ontwikkeld, met name in Israël en de VS en heeft van daar uit de wereld veroverd. Voor Israël bijvoorbeeld, een grote wapenexporteur, maken drones inmiddels 3 tot 10 procent uit van de huidige wapenexport*. Die voorsprong dreigen Europese wapenbedrijven niet meer in te kunnen halen.

Dit baart niet alleen hun bazen en aandeelhouders zorgen. Vanuit de Europese Unie worden pogingen ondernomen om, door meer onderzoekssubsidies en internationale samenwerking, de ontwikkeling van een gevechtsklare 'Eurodrone' te stimuleren. Het is twijfelachtig of dat gaat lukken.

“Op dit moment is er binnen Europa geen goed alternatief voorhanden voor de "euro drone". Gelooft u mij: anders hadden de Fransen die gekocht.” Minister Hennis van Defensie, in debat met de Tweede Kamer over de aanschaf van drones voor de Nederlandse krijgsmacht, 5 februari 2014

Honey, I shrunk the plane

De afgelopen jaren was er grote concurrentie op de wapenmarkt op het gebied van gevechtsvliegtuigen. Alleen al in Europa worden drie vergelijkbare toestellen gebouwd: de Eurofighter Typhoon, de Gripen en de Rafale. Die moeten het opnemen tegen Amerikaanse gevechtsvliegtuigen van onder meer Lockheed Martin en Boeing. Hoewel beslissingen over aanschaf officieel genomen worden op grond van prestaties en kosten, is het aangaan van een grote wapendeal in hoge mate het aangaan van een politieke relatie. Mede daardoor trekken de Amerikaanse wapenfabrikanten vaak aan het langste eind en hebben de Europese gevechtsvliegtuigen minder kans.
De centrale rol van gevechtsvliegtuigen wordt nu een beetje overgenomen door drones, zowel in militaire plannenmakerij als op de wapenmarkt. Israël en de Verenigde Staten zijn de voornaamste leveranciers. "Europa heeft minstens 10 jaar verloren. Hoe langer het duurt, hoe dominanter de Amerikanen en Israëli's zullen zijn." volgens Airbus topman Tom Enders. Europese wapenbedrijven proberen in verschillende samenwerkingsverbanden hun achterstand in te halen, op basis van en in samenwerking met Amerikaanse en Israëlische wapenbedrijven. Maar als puntje bij paaltje komt kiezen defensieministers toch voor aankoop van kant en klare drones in Amerika of Israël. Door in Israël of de VS 'van de plank' te kopen hoeven regeringen niet bij te dragen aan risicovolle ontwikkelingskosten. Maar dit dreigt er toe te leiden dat in Europa helemaal geen drone-productie tot stand komt. Het korte termijn militaire belang van zuinige defensiebegrotingen bedreigt het lange termijn militaire belang van het ontwikkelen van eigen dronetechnologie.
De keus van Frankrijk voor een Amerikaanse Reaper – dezelfde MALE (Medium Altitude Long Endurance) drone die Nederland wil kopen – in plaats van de door Dassault i.s.m. Israël Aerospace Industries ontwikkelde Heron-2, was het meest opvallend, omdat juist Frankrijk zich altijd sterk maakt voor Europese wapenproductie. Net als Nederland kocht Frankrijk onbewapende Reapers voor verkenningsdoeleinden, maar net als in Nederland gaan in Frankijk hardnekkige geruchten dat deze drones – inmiddels in gebruik in Mali – op termijn uitgerust zullen worden met raketten.

Van de plank of costumised

Europese wapenbedrijven beconcurreren elkaar in verschillende samenwerkingsverbanden bij het ontwikkelen van een MALE drone voor Europa. Het Britse BAE Systems en het Franse Dassauld Aviation werken samen in het Telemos droneprogramma. De Britse en Franse regering hebben zich herhaaldelijk uitgesproken over de wenselijkheid van een Brits-Franse MALE drone. Desondanks wachten de bedrijven al jaren tevergeefs op een concrete behoeftestelling en aankoopstrategie van hun regeringen. Door dit ontbreken van zich op klandizie wordt verder investeren in de Telemos voor hen financieel steeds hachelijker. Airbus Defence and Space, (voorheen EADS Cassidian) blies om die reden zijn Talarion MALE drone programma af, na tevergeefs te hebben gehengeld naar financiële toezeggingen van de beoogde klanten Frankrijk, Spanje en Duitsland.

Maar de Europese wapenindustrie geeft deze zeer lucratieve markt niet zomaar op. Voor een toekomstig Europees MALE drone programma heeft Airbus al overeenkomsten gesloten met het Italiaanse Alenia Aermacchi en Turkish Aerospace Industries, en een 51% aandeel genomen in Rheinmetall Defence. "We blijven praten met onze toekomstige klanten en geintresseerde industriele partners om sleuteltechnologie veilig te stellen voor een gezamenlijk Europees MALE programma" aldus een woordvoerder van Airbus. In de aanloop naar de Europese Raadsbijeenkomst over defensie en wapenindustrie in 2013 verscheen een oproep aan Europese regeringen om een Europees dronesprogramma op te zetten, ondertekend door Airbus, Dassault en het Italiaanse Finmeccanica. Volgens de drie defensiegiganten zou het voordeel onder meer zijn dat “essentiele voorwaarden voor de certificering van drones van het begin in het programma wordt meegenomen” en dat “Europese onafhankelijkheid in het omgaan met informatie en inlichtingen gegarandeerd is terwijl tegelijkertijd een robuust systeem wordt opgezet tegen cyberaanvallen.” Op dit moment gaat de informatie vanuit drones via de Verenigde Staten en Israël, omdat er geen Europees transmissiesysteem is.

Lobbyen in Brussel

In Brussel vinden de defensiebedrijven een gewillig oor. Al jaren wordt de dronesindustrie financieel gesteund. Het steunen van wapenproductie vanuit Brussel ligt politiek gevoelig. Maar door financiering te verstrekken aan onderzoeksprojecten voor dual use producten, met zowel een militaire als civiele toepassing, kan de wapenindustrie toch Europees geld ontvangen. Voor het steunen van dual use producten zoals drones heeft de EU de komende zeven jaar E 3,8 miljard gereserveerd binnen het Horizon 2020 onderzoeksprogramma, onder het hoofdstuk “Secure societies – Protecting freedom and security of Europe and its citizens.” Op basis van het EU-Israëlisch Associatieverdrag mogen ook Israëlische bedrijven hiervan gebruik maken. Recent ontstonden hierover problemen, omdat de EU, tot verontwaardiging van Israël, bedrijven uit de bezette gebieden van deelname wilde uitsluiten. De vestiging van deze bedrijven is immers in strijd met het internationaal recht. Het probleem is inmiddels in den minne geschikt door toevoeging van een vage appendix aan de afspraken. Zowel Israël als de EU hebben immens belang bij de samenwerking binnen Horizon 2020. Israël omdat het geld krijgt, de EU omdat het in de technische kennis uit de Israëlische wapenindustrie kan delen.
De wapenindustrie neemt al jaren deel aan allerlei adviesorganen van de Europese Commissie waarin nieuw Europees wapenindustriebeleid wordt ontwikkeld. Vaak worden de adviezen van deze organen letterlijk door de Commissie overgenomen. UVS International bijvoorbeeld, de belangrijkste Europese lobbygroep voor drones, neemt deel aan de European RPAS** Steering Group. Deze Steering Group heeft de Europese RPAS roadmap (EU-taal voor stappenplan) ontwikkeld. UVS International viel de eer te beurt om de roadmap officieel aan de Europese Commissie te presenteren op de Parijse wapenbeurs Eurosatory in juni 2013. In het Commission Staff Working Document, geschreven ter voorbereiding op de Europese Raad over defensie en wapenindustrie in december 2013, schrijft de Commissie hierover: “In de roadmap wordt regelgeving en Onderzoek & Ontwikkeling geinventariseerd die nodig is om RPAS in het luchtruim te integreren. (…) Dit zal bijdragen aan de mogelijkheid van bedrijven om dezelfde platforms te produceren voor zowel civiele als militaire toepassingen, door het ontwikkelen van geharmoniseerde civiel/militaire veiligheidsdoelen en hybride standaarden. (…) Het roadmap initiatief onder leiding van de Commissie zal helpen om synergie tot stand te brengen tussen militaire en civiele projecten, zoals projecten gesteund door het Europees Defensie Agentschap.”

Ook bij het beleid rond onderzoeksprogramma Horizon 2020 heeft de Europese Commissie hulp van een Expert Group, de Horizon 2020 Secure Societies Advisory Group. Na een klacht van de Brusselse NGO Corporate Europe Observatory, over de oververtegenwoordiging van het bedrijfsleven in de adviesorganen van de Commissie, adviseerde de Europese Ombudsman aan de Commissie om deze meer gebalanceerd samen te stellen. De Horizon 2020 Secure Societies Advisory Group bestaat nu uit 29 leden, waarvan 12 vertegenwoordigers van organisaties en 17 deelnemers op persoonlijke titel, vanuit specifieke expertise. Betrokken organisaties zijn onder meer Europol, Frontex, het Europees Defensie Agentschap EDA, een aantal onderzoeksinstituten en vertegenwoordigers van de wapenindustrie, waaronder de twee grote Europese lobbyorganisaties EOS (European Organisation for Security) en ASD (Aerospace and Defence Industries Association of Europe). Bij de deelnemers op persoonlijke titel zijn drie Nederlanders, waarvan een directeur van defensiebedrijf TNO. De andere twee zijn een professor van de TU Eindhoven en een ambtenaar van Binnenlandse Zaken.

Eindelijk een Eurodrone?

Op een bijeenkomst van het Europees Defensie Agentschap EDA in november 2013 besloten Nederland, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Italie, Polen en Spanje een 'club' te vormen om een – jawel – roadmap te ontwikkelen. De club moet ervoor zorgen dat de betrokken landen in 2020-2025 in staat te zijn gezamenlijk een MALE drone te produceren. Nederland is 'lead nation' bij deze club, de Britten doen niet mee. Duitsland heeft overigens al gezegd dat 2020 onhaalbaar snel is, en gezien eerdere ervaringen met gezamenlijke materieelontwikkeling ligt een efficiënt tijdspad inderdaad niet in de lijn der verwachtingen.
In een Letter of Intent droegen de lidstaten de EDA op om studie te doen ten behoeve van gezamenlijke productie van een drone die zowel kan surveilleren boven de Middellandse Zee als militaire doelen aanvallen. In een persbericht stelden de lidstaten dat het ontbreken van een eigen MALE drone een belangrijk tekort in Europese militaire capaciteit is. Gewezen werd in dat verband op de inzet van drones van Amerikaanse makelij bij de interventies in Libie en Mali. Een Nederlands Kamerlid vroeg in dit verband of Mali in de toekomst beschoten zou kunnen worden vanaf vliegbasis Leeuwarden.
Verder krijgt EDA de opdracht om met de Lidstaten en het European Aviation Safety Agency te bepalen hoe het certificeringsproces voor militaire drones in Europa kan worden gestroomlijnd. Ook is een Joint Investment Program overeen gekomen om nieuwe technologie te ontwikkelen, zoals 'sense and avoid' (waarbij de drone zelfstandig andere toestellen waarneemt en vermijdt), automatisch opstijgen en landen (daar is nu nog altijd grondpersoneel voor nodig – een probleem voor de Amerikanen nu ze zich terugtrekken uit Afghanistan, van waaruit de droneaanvallen op Pakistan plaatsvonden.) en luchtverkeersinterfaces. Aan dit onderdeel neemt Nederland overigens niet mee, maar de Britten dan weer wel. Ook krijgt EDA de opdracht een zogenaamd Categorie-B project voor te bereiden, in de aanloop naar concrete technologieproductie. De kosten worden gedragen door deelnemende Lidstaten.
Ook aan onafhankelijke Europese transmissiesystemen wordt gewerkt. Samen met het European Space Agency (ESA) onderzoekt EDA het gebruik van satellieten voor civiele en militaire dronenavigatie. Daarnaast doet ESA eigen onderzoek naar gebruik van Europese satellieten voor besturing en informatieoverdracht door civiele drones.

Luchtruimwetgeving

Drones heb je in soorten en maten. Verkennings- en bewakingsdrones zijn relatief lichte, soms uit de hand of met een katapult te lanceren minivliegtuigjes. Nederland heeft in deze categorie de Raven van ongeveer 2 kilo en de ScanEagle van ongeveer 20 kilo. De Raven is ingezet in Afghanistan, de ScanEagle voor de Somalische kust tijdens de antipiraterijmissie. Beide zullen worden ingezet in Mali. Bewapenbare drones, zoals de Reaper die Nederland voor verkenningstaken aanschaft***, zijn veel zwaarder en kunnen langer, hoger en verder vliegen. Drones boven 150 kilo zijn op dit moment niet toegestaan in het Europese civiele luchtruim. Om die reden trok Duitsland zich in de zomer van 2013 terug uit de ontwikkeling van de Euro Hawk verkenningsdrone van EADS Cassidian, een kwestie die defensieminister Thomas de Maiziere bijna de kop kostte, en de Duitse schatkist €600 miljoen. De Maiziere had geen zin om nog langer geld uit te geven aan een project dat hij voorlopig niet gebruiken kon. EADS topman Enders was laaiend en verklaarde in de aandeelhoudersvergadering dat het “een staaltje Duitse bureaucratie is. Je hoeft alleen het luchtverkeer maar voor 15 minuten stil te leggen om de drone te laten stijgen of dalen.” De EU komt met gezwinde spoed aan de problemen tegemoet en heeft €4 miljoen uitgetrokken voor onderzoek naar de integratie van zowel civiele als militaire drones in het Europese luchtruim, vanaf 2016.

Europees of toch binationaal?


Gevechtsdrones zijn een stapje verder in de technologie en kunnen daadwerkelijk luchtgevechten voeren. De huidige Europese gevechtsdrones, de Baracuda van EADS Cassidian, de Britse Taranis en de Franse nEUROn, zijn ontwikkeld ten behoeve van de technologie, niet om als zodanig in productie te nemen. Maar als er niet snel vervolgstappen worden gezet verouderd de kennis.
Afgelopen februari kwamen Frankrijk en Groot-Britannie overeen om 120 miljoen pond (€146 miljoen) te investeren in een gezamenlijke studie naar voortgaande ontwikkeling van gevechtsdrones, gebaseerd op de Taranis en de nEUROn van respectievelijk BAE Systems en Dassault. Deze overeenkomst bouwt voort op de destijds als spectaculair beschouwde Lancaster House Overeenkomst uit 2010, waarin beide landen zich uitspraken voor grotere defensiesamenwerking. Maar dat was voordat Hollande president werd, en voordat in Groot-Brittannië een anti-Europese partij een bedreiging voor het huidige beleid ging vormen. De Frans-Britse militaire liefde is inmiddels wat bekoeld. Het vervolg op de Lancaster House Overeenkomst is in zeer voorzichtige bewoording gesteld, en vooral ontbreekt vervolgfinanciering, hetgeen doet vermoeden dat de overeenkomst vooral politieke betekenis heeft. Die ligt erin dat de Fransen en de Britten de andere EU landen er niet bij hebben gevraagd. Ook maken ze een duidelijke keus voor de wapenbedrijven BAE Systems en Dassault, waarmee ze Thales, Airbus (voorheen EADS Cassidian), en andere potentiele producenten buitensluiten.
Hiermee lijkt de brede Europese samenwerking weer naar de achtergrond te verdwijnen ten koste van een biliateraal project. De Europese militaire samenwerkingsgedachte zit blijkbaar niet zo diep.

Wendela de Vries 27/02/2014

 

Noten

* Israël's drone export kent weinig beperkingen omdat Israël geen lid is van het Missile Technology Control Regime waar bewapenbare drones onder vallen.

** RPSA = Remotely Piloted Areal Systems. De wapenindustrie wil van het woord drones af, omdat dit associaties oproept met het omstreden CIA-moordprogramma in Pakistan en Jemen. Bovendien willen ze graag benadrukken dat hun mooie producten geen 'killer robots' zijn maar dat er wel degelijk een piloot aan de knoppen zit, zij het dan 'remote', op afstand. Er lopen verscheidene communicatiecampagnes om het Europese publiek 'voor te lichten' om het imago van drones te verbeteren.

*** Hardnekkige beweringen dat Nederland de Reaper binnen enkele jaren toch zal bewapenen probeerde Minister Hennis in een recent Kamerdebat de kop in te drukken met de mededeling “dat daarvoor geen reservering is opgenomen in het Defensie investeringsplan, waarin toch zo'n vijftien jaar vooruit wordt gekeken”.