Wapenkredieten remmen ontwikkelingsambities

ViceVersa Opinie - oktober 2007, Wendela de Vries

Eenvijfde van de schuldenlast van ontwikkelingslanden wordt veroorzaakt door zichzelf niet terugverdienende militaire uitgaven. Exportkredieten zijn dus onverenigbaar met de kabinetsambitie om de Millenniumontwikkelingsdoelen te halen, betoogt Wendela de Vries van de Campagne tegen Wapenhandel.

Volgens UNDP zijn de militaire uitgaven van ontwikkelingslanden een obstakel bij het behalen van de Millenniumontwikkelingsdoelen. De officiële defensiebudgetten in veel ontwikkelingslanden bedragen soms meer dan de uitgaven voor gezondheidszorg en onderwijs samen. Daarnaast zijn er vaak onofficiële geldstromen richting het leger die buiten de staatsbegroting vallen. Je zou dan ook verwachten dat landen die zich committeren aan het halen van de Millenniumdoelen, zoals Nederland, de wapenexport naar ontwikkelingslanden op zijn minst zouden ontmoedigen. Niets is minder waar, zo blijkt uit onderzoek van het European Network Against Arms Trade. Europese landen faciliteren juist militaire exporten door het beschikbaar stellen van exportkredieten. Tussen de 20 tot 30 procent van alle exportkredieten gaat naar de defensiesector, terwijl militaire goederen gemiddeld slechts 2 procent van de export van Europese landen beslaan.

Defensiebedrijven doen veel moeite voor het binnenhalen van orders van ontwikkelingslanden. De meest gangbare manieren daarvoor zijn speciale aanbiedingen – bijvoorbeeld een deel van de productie overhevelen naar het kopende land – of aantrekkelijke financiële regelingen, zoals een goedkoop exportkrediet. In de praktijk blijkt zo’n kredietvoorziening vaak mogelijkheden te bieden om defensieorders binnen te halen die anders niet tot stand zouden komen. Zoals minister Bos (Financiën, PvdA) in een recente brief (12 juni 2007: ‘Toekenning van schuldenkwijtschelding aan OS begroting’) aan de Tweede Kamer schrijft: ‘Zonder exportkredietverzekering zou de export naar economisch lastige landen immers vaak niet tot stand komen. Doordat zij een langere adem heeft dan marktpartijen en meer mogelijkheden heeft om officiële schulden in te vorderen, kan de overheid deze risico’s op zich nemen.’ Anders dan de ORET-regeling (Ontwikkelingsrelevante Exporttransacties), die een duidelijk ontwikkelingsdoelstelling had, zijn exportkredieten niet bedoeld als ontwikkelingsinstrument. Het is een faciliterend instrument voor Nederlandse exportbevordering. Desondanks zou men verwachten dat het beleid van de Nederlandse kredietverstrekker Atradius, die handelt in opdracht van de overheid, in lijn is met ontwikkelingsdoelen die de Nederlandse regering zichzelf stelt. Daarvan is weinig sprake. Zo werden omvangrijke kredietgaranties voor de levering van marineschepen aan Indonesië toegekend rond dezelfde tijd dat vanwege de Tsunami Indonesische schulden door Nederland werden kwijtgescholden.

‘Handel verhoogt de welvaart van beide handelspartners’, stelt minister Bos in zijn eerder genoemde brief. Maar militaire uitgaven zijn juist schuldenveroorzakers bij uitstek. Anders dan bijvoorbeeld krediet voor het opzetten van een veevoederfabriek, dragen leningen voor militaire aankopen niet bij aan productie die het mogelijk maakt de aankoop terug te betalen. Mede hierom verstrekken IMF en de Wereldbank geen kredieten voor militaire uitgaven. Militaire aankopen zijn verantwoordelijk voor 15 tot 20 procent van alle internationale schulden. Corruptie, het grote smeermiddel van de wapenindustrie, valt overigens gewoon binnen het verzekerde bedrag. Wapenhandel is op zich natuurlijk een legale economische activiteit, maar het neemt zo’n speciale plaats in en er zitten zoveel politieke consequenties aan,

dat er op zijn minst speciale aandacht nodig is. Niet voor niets is wapenhandel uitgezonderd van alle belangrijke (handels-)verdragen, zoals het GATTverdrag en het EU-verdrag. Daardoor is het ook uitgezonderd van de OESOafspraak om geen exportkrediet te verstrekken aan landen die zwaar in de schulden zitten, en valt het niet onder de OESO-richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Wapenhandel is in internationaal juridisch opzicht volledig een witte vlek.

Ook de European Code of Conduct on Arms Exports is een niet-bindende EU-richtlijn. Dat geeft Nederland de vrijheid om zelf beleid te maken. Maar tot nu werd in de discussie over sociale implicaties van exportkredieten over wapenhandel niet gesproken. In het Nederlandse beleid wordt er vaak voetstoots van uitgegaan dat landen nu eenmaal het recht hebben om zich te bewapenen op grond van artikel 51 van het VN-Handvest. In landen waar het leger een soort Vierde Macht vormt die zich grotendeels aan democratische controle onttrekt, zoals Indonesië, Pakistan en Turkije, heeft dit beroep op het recht op zelfverdediging voor het doen van forse wapenaankopen een wat wrange bijklank.

Binnenkort organiseert het ministerie van Financiën een themadag over exportkredieten voor leden van de Tweede Kamer. Tot nu toe heeft de minister nog geen commentaar gegeven op het grote aandeel militaire exporten in het pakket van kredietverzekeringsmaatschappij Atradius. Ook is er nog geen antwoord op Kamervragen die door de Socialistische Partij zijn gesteld naar aanleiding van het onderzoek van het European Network Against Arms Trade. Het zou mooi zijn als minister Bos en minister Koenders duidelijkheid zouden verschaffen over hun visie op de relatie tussen militaire exportkredieten en Millenniumdoelen. Als kredietverstrekker heeft de Nederlandse overheid wel degelijk een eigen verantwoordelijkheid.