Militarisme in de Europese Unie: De defensie industrie task force

Augustus 2013 - Afgelopen juli publiceerde de Europese Commissie een 'communicatie' onder de titel: Naar een bredere en efficiëntere defensie- en veiligheidssector.

De Commissie – ter herinnering, deze bestaat uit ambtenaren en niet uit gekozen politici – beschrijft hierin zijn ambities op het gebied van de Europese wapenindustrie. Al voordat de communicatie werd gepubliceerd schreef Chris Venables een analyse, op grond van informatie uit het Europees Parlement en de media. Chris Venables is programma-assistent bij de Quaker Council for European Affairs in Brussel. Hier een samenvatting van zijn analyse.
In 2011 vormde de Europese Commissie een Defensie Industrie Task Force, die aanbevelingen moet formuleren over hoe de EU zijn wapenindustrie kan steunen. In de Task Force zitten vertegenwoordigers van verschillende Commissariaten, waaronder die van Industrie en ondernemerschap, Mededinging, en Handel, alsmede van het Europees Defensie Agentschap – dat de militaire capaciteit van de lidstaten moet ondersteunen – en van de European External Action Service van Catherine Ashton.

In juli 2013 komt de Commissie met aanbevelingen en een Actieplan. De Commissie pleit voor versterking van de Europese wapenindustrie, naar zijn mening essentieel voor Europese veiligheid. Het feit dat de Verenigde Staten zijn militaire aandacht meer op Azië richt, dat bij de aanval op Libië de Fransen en Britten niet alle benodigde wapensystemen zelf voorhanden hadden, en dat de Europese veiligheid op allerlei manieren bedreigd wordt, dwingt de lidstaten om meer samen te werken op defensiegebied. De Commissie wil de Europese wapenmarkt liberaliseren en een einde maken aan voorkeursbeleid voor de eigen nationale wapenindustrie van lidstaten. Concurrentie en vrije markt moeten leidende principes worden. Al in 2009 heeft de Commissie twee Richtlijnen gepubliceerd om compensatie-orders te verbieden en de vergunningplicht voor wapenhandel binnen de EU op te heffen. Artikel 346 van het Verdrag van Lissabon, dat lidstaten toestaat om wapenaankopen uit te zonderen van Europese aanbestedingsregels, moet op de schop.
Voor een sterke wapenindustrie moeten er ook Europese onderzoeksbudgetten komen. Tot nu toe was de Europese pot met geld voor wetenschappelijk onderzoek en technische vernieuwing gesloten voor wapenproductie – hoewel via een achterdeurtje, onder de noemer 'veiligheidsbeleid', toch veel geld naar grote wapenbedrijven is gesluisd. Bij de nieuwe ronde van Europese onderzoeksfinanciering, Horizon 2020, zal de wapenindustrie waarschijnlijk wel projecten mogen indienen. De Commissie wil speciale steun voor kleinere defensiebedrijven. Dat zal nodig zijn, omdat de financieringspotten van de EU hoofdzakelijk ten goede komen aan grote internationale bedrijven – kleinere bedrijven hebben domweg niet de capaciteit om zich door de EU bureaucratie heen te worstelen. En tenslotte wil de Commissie meer Europese samenwerking in het aanschafbeleid van lidstaten.
De Commissie meent dat steun aan de Europese wapenindustrie goed is voor werkgelegenheid, economische groei en veiligheid. Maar daar valt nogal op af te dingen. De Veiligheidsstrategie van de EU noemt als belangrijkste bedreigingen klimaatverandering, energiezekerheid, wapenproliferatie, falende staten, georganiseerde misdaad en terrorisme. Problemen waarbij wapenproductie nu niet meteen de meest voor de hand liggende oplossing is. Geweldloze oplossingen lijken bij deze problemen zelfs vele malen meer voor de hand te liggen dan militaire oplossingen.
Daar komt bij dat hoge militaire uitgaven de economische crisis verergeren. In 2010 bedroegen de militaire uitgaven van de EU €194 miljard, evenveel als de jaarlijkse schuld van Griekenland, Italië en Spanje samen. Dat de wapenindustrie een motor voor economische groei en technische innovatie zou zijn is loze retoriek. Onderzoek toont juist aan, dat geld geïnvesteerd in andere sectoren veel meer werkgelegenheid oplevert, en dat technische innovaties veel meer plaatsvinden in de civiele sector.
De vraag is hoe de Europese lidstaten zullen reageren op de plannen van de Europese Commissie. De communicatie van juli is bedoeld als input voor een top van Europese regeringsleiders in December, die gewijd zal zijn aan het Europese defensiebeleid.