“Afscheid nemen van een vredesmentaliteit”: de militaire plannen van het kabinet-Jetten

“We bevinden ons in het grijze gebied tussen oorlog en vrede en moeten afscheid nemen van een vredesmentaliteit”, aldus de regering-Jetten in de half juni gepresenteerde Internationale veiligheidsstrategie 2026-2030. Als je deze strategie en de deze week gepubliceerde Defensienota 2026, die de beleidslijnen voor de komende jaren uiteen zetten, leest lijkt oorlog haast onvermijdelijk. En iedereen wordt geacht mee te doen om die voor te bereiden.

In het nieuws over de Defensienota kwam vooral naar voren dat Defensie fors wil inzetten op onbemenste (wapen)systemen zoals drones, die over vijf jaar verantwoordelijk moeten zijn voor “meer dan de helft van de operationele effecten”. Dit maakt onderdeel uit van een transformatie naar een “innovatieve en wendbare krijgsmacht met voldoende voortzettingsvermogen”. De ambities zijn hoog: het leger moet afschrikken, snel en toegespitst kunnen reageren, multi-inzetbaar zijn, zich kunnen aanpassen aan snelle militaire en technologische ontwikkelingen en uitgerust zijn om langdurig te kunnen vechten.

Veel andere elementen uit de twee nieuwe documenten zijn al bekend, zoals de bevestiging van de voortdurende primaire rol van de NAVO, met een sterkere Europese poot, opbouw van de militaire capaciteiten op EU-niveau en aandacht voor hybride oorlogsvoering en de domeinen ruimte en cyber. Dit alles gaat gepaard met plannen voor de aankoop van talloze nieuwe wapens. Naast de nadruk op onbemenste systemen wil Defensie meer gebruik gaan maken van betaalbare en vervangbare systemen om snel, en goedkoper, meer massa in te kunnen zetten.

Oekraïne

Deze koers richting onbemenste systemen en ‘wegwerp’-wapens is mede gebaseerd op het verloop van de oorlog in Oekraïne. Daar spelen drones inderdaad een als doorslaggevend beoordeelde rol op het slagveld, maar dat heeft het grootste deel van de al ruim vier jaar durende oorlog vooral geresulteerd in vastgelopen frontlinies en hoge aantallen doden.

De oorlog in Oekraïne na de Russische invasie van februari 2022 komt veelvuldig terug als leermoment: “Nederland leert veel van de Oekraïense ervaringen met het huidige gevecht en van de manier waarop innovatie snel op het slagveld wordt toegepast.” Er wordt gesproken over een wederkerige relatie op dit vlak, en de noodzaak en voordelen van verdere militaire integratie van Oekraïne in de EU, met name van de innovatieve Oekraïense wapenindustrie.

Bij de integratie van de EU- en Oekraïense wapenindustrie, die zich sinds dit voorjaar nadrukkelijk op grootschalige export richt, wordt geen rekening gehouden met het feit dat Oekraïne als niet-EU-lid niet gebonden is aan de EU-wapenexportregels, die uitvoer naar ongewenste bestemmingen moeten voorkomen. Het land heeft wat dat betreft een slechte reputatie opgebouwd in de jaren voor de oorlog, met leveringen aan dictaturen als Myanmar, Soedan en Tsjaad. Tot de eerste nieuwe contracten behoren recente dronedeals met Qatar, Saoedi-Arabië en de VAE, die een bijdrage leveren aan oorlog en onderdrukking in Zuidwest-Azië.

Andere belangrijke lessen uit de oorlog worden intussen grotendeels genegeerd. Zo toont het feit dat Europa door Trump gemakkelijk naar de zijlijn kon worden gedirigeerd toen de Amerikaanse koers ten aanzien van de oorlog werd gewijzigd aan dat het noodzakelijk is om, al dan niet naast militaire steun, diplomatie te bedrijven en een eigen politieke onderhandelingspositie in te nemen. De Nederlandse regering blijft echter hardnekkig hameren op een vooralsnog illusoire Oekraïense overwinning. Een gebrek aan realiteitszin dat, net als het vasthouden aan toekomstig Oekraïens NAVO-lidmaatschap, niet bijdraagt aan het beëindigen van de oorlog en het voorkomen van nog veel meer slachtoffers.

Offensieve houding

Bij de presentatie van de Defensienota zei minister Yesilgöz (VVD) van Defensie: “Daarbij is ons eerste en belangrijkste doel: afschrikking. Laten zien dat we klaar staan en paraat zijn en daarmee zorgen dat een tegenstander nooit de fout maakt ons aan te vallen.” Ook de boodschappenlijsten voor wapens verraden een meer offensieve houding.

Dit wordt beargumenteerd met het wijzen op de dreiging die Rusland zou vormen. De feiten wijzen echter een andere kant op: de militaire capaciteiten van Rusland zijn veel beperkter dan die van NAVO- of EU-zijde. Rusland is er na ruim vier jaar nog niet in geslaagd Oekraïne te verslaan en kampt met een instortende oorlogseconomie. Een aanval op een NAVO-lidstaat door Rusland of andere landen is onwaarschijnlijk, zo concludeerden ook de gezamenlijke Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten vorig jaar.

Of je die inschatting wel of niet deelt, er is sprake van veel geopolitieke instabiliteit en dat baart in welk scenario dan ook grote zorgen over de ingezette koers. Die instabiliteit, en andere belangrijke internationale vraagstukken als klimaatverandering, vragen juist om internationale samenwerking en overleg. De (eenzijdige) nadruk op het versterken van militaire capaciteiten staat dit in de weg. Er is vanuit deze regering nauwelijks aandacht voor bijvoorbeeld het sterk afnemende gezag van de Verenigde Naties, de moeite om überhaupt tot internationaal overleg te komen of voor inzet op diplomatie in het algemeen. Als diplomatie al benoemd wordt wordt het voornamelijk neergezet als versterking van militaire middelen.

Het internationaal recht, dat met allerlei mitsen en maren in ieder geval een stelsel van regels en afspraken vormt om (escalatie van) oorlogsgeweld te voorkomen of in te perken, staat onder zware druk van op macht gebaseerd militair optreden, of dat nu vanuit Rusland, de Verenigde Staten of Israël komt. In dit kader is het is ronduit een gotspe dat Nederland, ‘gidsland’ voor het internationale recht, meewerkt aan de erosie ervan door bijvoorbeeld bij herhaling begrip uit te spreken voor de Amerikaans-Israëlische aanvallen op Iran.

Kernwapenwedloop

In de Internationale Veiligheidsstrategie zet de regering uiteen dat Nederland met andere Europese landen onderzoekt hoe invulling gegeven kan worden aan “een sterkere Europese dimensie van nucleaire afschrikking ter versterking van de NAVO”. Het gaat daarbij in de eerste plaats om de rol van gevechtsvliegtuigen, met de F35 als de opvolger van de F16, om de gemoderniseerde Amerikaanse B61-12-atoombommen van de Noord-Brabantse vliegbasis Volkel in NAVO-verband af te kunnen werpen.

Naast deze al decennia bestaande kernwapentaak van de Nederlandse krijgsmacht, die op gespannen voet staat met Non-Proliferatieverdrag, kondigde de regering begin maart aan ook met Frankrijk in overleg te gaan over nucleaire samenwerking, net als een aantal andere Europese NAVO-lidstaten. Het gaat bijvoorbeeld om deelname aan Franse kernwapenoefeningen of tijdelijke stationering van Franse kernwapens op het grondgebied van die betreffende landen.

Ook dit is moeilijk in lijn te brengen met de doelstellingen van het NPV – geen verdere verspreiding van kernwapens én nucleaire ontwapening. Nederland werkt mee aan een nieuwe kernwapenwedloop. Het is dan ook de vraag wat de zin “[e]en kernwapenvrije wereld blijft het uiteindelijke doel” in de Defensienota nog voor inhoud heeft. De regering verwacht er zelf overigens ook weinig van, en zegt “zich ervan bewust [te zijn] dat de ruimte voor afspraken over wapenbeheersing deze periode zeer beperkt zal zijn”.

Militarisering van de samenleving

De Defensienota heeft de titel ‘Samen voorwaarts!’ en dat ‘samen’ wordt tot uitentreuren herhaalt. Steeds wordt gesteld dat de hele samenleving – civiele autoriteiten, kennisinstellingen, burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties – mee moet doen, iedereen draagt verantwoordelijkheid: “Zonder weerbare samenleving die vertrouwd is met Defensie, haar missie omarmt, en bereid is daar ook in te investeren, is de krijgsmacht minder effectief en afschrikwekkend.” Zo’n dwingend narratief laat weinig ruimte voor tegenspraak en alternatieve invalshoeken.

Defensie vraagt behoorlijk wat van de samenleving, op meerdere vlakken. De Defensienota toont daar wel enige notie van – “Hoewel de noodzaak voor de investeringen in Defensie maatschappelijk breed wordt gedragen, zijn de consequenties lokaal en persoonlijk voelbaar door een toenemende vraag van Defensie naar meer (juridische en fysieke) ruimte, financiële middelen en mensen” – maar eist dus ook maatschappelijke steun op én claimt zonder voorbehoud een prioritaire positie voor Defensie en militarisering, ten koste van andere zaken.

De enorme stijging van militaire uitgaven wordt grotendeels gedekt door forse bezuinigingen op met name zorg en sociale zekerheid en de invoering van een ‘vrijheidsbijdrage’, een belastingverhoging die disproportioneel door lagere inkomens moet worden opgebracht. Werving van nieuwe militairen gaat gepaard met veel propaganda en druk op jongeren, die een verplichte enquête over werken bij de krijgsmacht moeten gaan invullen. De regering werkt, zoals in het regeerakkoord al aangekondigd, ook aan de mogelijkheid van herinvoering van de opkomstplicht als de wervingsinspanningen onvoldoende nieuwe militairen opleveren.

De ‘whole-of-society’-aanpak die Defensie voorstaat krijgt verder vorm in druk op allerlei sectoren om een bijdrage te leveren. Spoorwegen gaan voorrang geven aan militair transport, ziekenhuizen oefenen op scenario’s met grote aantallen oorlogsgewonden, bedrijven maken afspraken met Defensie om werknemers meer ruimte geven als reservist. En individuele burgers worden angst en noodpakketten aangepraat.

Democratische rechtsstaat afbreken

Defensie zegt open te staan voor inspraak en rekening te willen houden met andere belangen, maar claimt in de praktijk vaak een vanzelfsprekende prioritaire positie. Zo stelt het in Defensienota: “Door zorgvuldig te luisteren naar de belangen, zorgen en wensen van alle betrokkenen, werken we aan een goede en toekomstbestendige verdeling van die [beschikbare] ruimte.” De ervaringen met de ruimtelijke uitbreidingen van Defensie, in de vorm van het programma ‘Ruimte voor Defensie‘, met uitbreidingen en nieuwe locaties (kazernes, munitieopslag, oefenterreinen), en het ook recent aan de Kamer gestuurde voorstel voor een Wet op de defensiegereedheid (WoDG), zijn echter anders.

Defensie lijkt inspraak zelf meer als een hinderlijke bijkomstigheid te zien, getuige de manier waarop hiermee wordt omgegaan in deze gevallen. “De minister en staatssecretaris hebben haast. Het is daarom niet de bedoeling dat de internetconsultatie [over de WoDG] erg lang loopt en dat er veel tijd wordt genomen om de reacties te verwerken”, aldus een vertegenwoordiger van Defensie in een overleg met de militair vakbonden. Met de 1500 inspraakreacties werd dan ook nagenoeg niets gedaan.

Ruim 2200 bezwaren tegen delen van ‘Ruimte voor Defensie’ was hetzelfde lot beschoren. Defensie liet al snel weten dat de plannen niet of nauwelijks aangepast zouden worden. Een woordvoerder van Defensie zei in de zomer van 2024 dat het “natuurlijk verschrikkelijk [is] als onze plannen consequenties hebben voor waar mensen wonen, werken en een geschiedenis hebben. Natuurlijk begrijpen we dat. Maar dit is wat we echt minimaal nodig hebben.”

De WoDG legt straks formeel vast dat Defensie vrijstellingen en ontheffingen kan krijgen van allerlei regelgeving, op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur- en dierbescherming, veiligheid en arbeidsrechten van het eigen personeel. Daarbij worden mogelijkheden voor inspraak en bezwaar fors ingeperkt.

Er zijn meer initiatieven, ook op EU-niveau, om het militair-industrieel complex te vrijwaren van beperkende en als hinderlijk ervaren regelgeving en een voorrangspositie te verlenen, bijvoorbeeld als het gaat om het leveren van schaarse grondstoffen.

Wapenindustrie

De Defensienota kenmerkt zich ook door het benadrukken van intensieve samenwerking tussen Defensie en de militaire industrie. Krijgsmacht en wapenbedrijven moeten nauw samen optrekken van onderzoek en ontwikkeling tot productie en verkoop van nieuwe wapens, via “partnerschappen waarin continue doorontwikkeling en realisatie van productiecapaciteit centraal staan. Door deze investering in partnerschappen realiseert Defensie gezamenlijk ecosystemen in Nederland en daarbuiten. Het doel is om belangrijke capaciteiten van eigen bodem te kunnen verwerven die ook in het buitenland kunnen worden verkocht.”

Defensie wil veel inzetten om dit mogelijk te maken: vereenvoudiging van regelgeving voor wapenbedrijven, borging van de levering van kritieke grondstoffen, financiële steun (en druk op de private financiële sector om meer te investeren) en opzetten van gezamenlijke onderzoeks-, productie- en testfaciliteiten. Dat Defensie zich actiever met (ophoging van de) wapenproductie bemoeit bleek bijvoorbeeld al uit de rol die het speelde bij het herstarten van militaire productie bij VDL in Limburg. Paradepaardje is een op te richten Defensie innovatie- en opschalingsautoriteit naar model van het Amerikaanse DARPA, die tot 10% van het defensiebudget beschikbaar krijgt om innovatieve militaire projecten van bedrijven en kennisinstellingen te financieren.

Intussen wordt de industrie niet alleen praktisch maar ook beleidsmatig steeds meer omarmd door de overheid. Wapenbedrijven en hun lobby-organisatie NIDV (Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid) worden aan tafel uitgenodigd om mee te denken en samen beleid vorm te geven. De overheid ziet vertegenwoordigers van wapenbedrijven meer als experts en partners dan als behartigers van de financiële belangen van die bedrijven zelf.

Omzetstijging van de Nederlandse wapenindustrie is expliciet als doel opgenomen in het beleidsstuk. Die moet ook komen uit meer wapenexport. De regering wil daarom wapenexportregelgeving versoepelen, parallel met initiatieven op EU-niveau op dit vlak, zoals een wijziging van de regels voor wapenhandel tussen EU-lidstaten. Dit betekent een groot risico op meer export naar landen in oorlog of met interne gewapende conflicten, mensenrechtenschenders en autoritaire regimes. Zo wordt de wereld alleen maar gevaarlijker.

De Defensienota en Internationale Veiligheidsstrategie schotelen een uitermate somber toekomstperspectief voor. De hele samenleving moet voorbereid zijn op een haast onvermijdelijke, langdurige, grote oorlog, waarbij ook de inzet van kernwapens niet wordt uitgesloten. Militarisering voert de boventoon en andere belangen moeten wijken. De opbouw van de krijgsmacht en de productiecapaciteiten van de wapenindustrie krijgt prioriteit.

Of je nu wel of geen voorstander van hogere militaire uitgaven en uitbreiding van de krijgsmacht bent, dit zou grote zorgen moeten baren. In plaats van volop in te zetten op het voorkomen van oorlog met diplomatieke middelen, of op z’n minst een aan de militaire opbouw gelijkwaardig spoor in die richting te ontwikkelen, kiest de regering voluit voor militarisering en oorlogsvoorbereiding. Een fatalistische houding, die ook in Nederland zelf grote gevolgen heeft voor maatschappij en natuur.

Gaan we zwaarbewapend in een afbrokkelende democratische rechtsstaat toewerken naar een oorlog? Of gaan we ons inzetten voor het doen afnemen van internationale spanningen, ook met het oog op grote internationale uitdagingen – klimaatverandering, mondiale ongelijkheid, de opkomst van extreemrechts en autoritaire leiders – die alleen gezamenlijk aangegaan kunnen worden. Wordt het werken aan duurzame vrede of vernietiging?

Mark Akkerman

Steun Stop Wapenhandel

Doneer
Stop Wapenhandel
Privacyoverzicht

Deze site maakt gebruik van cookies, zodat wij je de best mogelijke gebruikerservaring kunnen bieden. Cookie-informatie wordt opgeslagen in je browser en voert functies uit zoals het herkennen wanneer je terugkeert naar onze site en helpt ons team om te begrijpen welke delen van de site je het meest interessant en nuttig vindt.